Beleningen 1300-1400

Op deze pagina worden alle gevonden beleningen van de boerderij Heerink weergegeven over de periode 1300 – 1400.
Naast een beeld van het originele document is het tevens de bedoeling om een transcriptie weer te geven van wat er staat.

1326 Belening aan Henric van Suderoes

Afb.1 Uitsnede uit het boek: “Het oudste leenactenboek van Gelre”, 1326. Naar het oorspronkelijk hand-
schrift uitgegeven. (blz 30) (Haarlem, 1898)

Transcriptie:
It henric van Suderoes – helt tguet te suderoes te sutphenschen rechte en(de) te dienstmans leene. It tguet ten Velde It tguet te groenenvelde te hercler en(de) te herings-berents guet dies iahers – te sutphenschen rechte.

Vervolgens wordt nog een andere weergave van de tekst gevonden:

Afb.2 Uitsnede uit het boek van P.N. van Doornink: “Afschrift, 1563”. Hij heeft het oudste Leenactenboek
(dat van 1326) naar het oorspronkelijke handschrift uitgewerkt (blz 24).

Transcriptie
Item hendrick van Suderoes helt tguet te Suderoes te Zutphenschen rechte ende te dienstmans leene. Ite(m) tguet ten Velde. Ite(m) tguet te groenenvelde te hercler ende te heringh-berents guet des iaers te Zutphenschen rechte.

NOTE: Bovenstaande afbeeldingen zijn niet afkomstig uit het originele leenactenboek. Zover nu bekent is dit boek niet in Nederland maar in Duitsland.

1378 Belening aan Evert van Zelle

Afb.3 Uitsnede uit het boek: “Het oudste leenactenboek van Gelre”, 1378. Naar het oorspronkelijk hand-
schrift uitgegeven. (blz 46) (Haarlem, 1898)

Transcriptie:
It(em) evert van zelle heeft ontfang(en) tguet te hedering geleg(en) in den kerspel van hengel(o) ten zutph(enschen) leen

1387 Belening aan Gerrit van Zelle

Afb.4 Uitsnede uit het boek: “Het oudste leenactenboek van Gelre”, 1387. Naar het oorspronkelijk hand-
schrift uitgegeven. (blz 104) (Haarlem, 1898)

tguet tot hederinck

It(em) in den selve Jaire die Proest wiltnumen ontfinc Gerit van zelle van myne he(ren) van Gelre dat guyt to hederinc also als dat gelegen is in den kerspel van hengel(o), dat dienstmans guyt is tot eyne zutphentsche leen manne myne lyen her(en) henn(drik) he(er) van Gemen en her Johan van den Velde Ridde(r)

Tot zover de beleningen van de boerderij Heerink (tguet Hederinc) in de 14e eeuw. Wat opvalt is in de laatste belening dat het goed wordt beleent als “Dienstmans goed”. Dit zou erop (kunnen) duiden dat Gerit van Zelle zelf in de boerderij is gaan wonen. De reden van een dienstmangoed is dat de ‘leenman’ (in deze Gerit van Zelle) zelf kan voorzien in zijn eigen onderhoud en tevens zo geld kan verdienen voor uitbreiding van zijn wapenarsenaal, het onderhoud ervan alsook het hebben van een dak en eten.
Het feit dat hij er (mogelijk) zelf is gaan wonen wordt ook nog eens versterkt doordat het goed “tZelle” (het Zelle) het niet bij zit.