Beleningen 1600-1700

Op deze pagina worden alle gevonden beleningen van de boerderij Heerink weergegeven over de periode 1600 – 1700.
Naast een beeld van het originele document is het tevens de bedoeling om een transcriptie weer te geven van wat er staat.

1603 Belening aan Gerrit van Kervenhem

Afb 1 Uitsnede uit het boek “Leenboek Gelre en Zutphen, P, 1600-1614 (blz 93)

Transcriptie:
Ick Gerhard Vort erschenen Is Gerrit van kervenhem ende heeft te leen ontfangen een Goet geheiten herinck met sijn tobehoren gelegen Inden Graeffschap Zutphen In den kerspel van hengel opt Goy tuschen den Goederen Wissinck ende Elferdinck schietende opden Goyschen Enck andem furstendom Gelre ende Graeffschap Zutphen te zutphenschen rechten met een pond goets gelts te verheergewaden leenroerich Gelijck hem sulx deur ansterven wijlen sijner moder Joffrou Andrea van Holthusen is angeerft Ende heeft daervan hulde ende eed van trou doen gedaen Dergelijcken hij ende sijne Erven Beheltlich In allen Sonder argelist Ende want Int verheven deses lansversuim gevallen was want sulx hiermede om beweglicken redenen quijtgescholden hier sijn over ende angeweest als mannen van leen Daen ten heerenhaus Richter Int Oldebroeck ende Jasper van Hattem deurw(aarde)r des hoffs van Gelderland Des t’oorkonde Geschiet t’Arnhem op Woensdag den 14-en Septembris XVI-C III (1603)

1620 Belening aan Bernt van Kervenheim

Afb 2 Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen, Q, 1614-1627 (blz 165)

Transcriptie:
Ick Gerlach vander Capel Erschenen is Bernt van kervenhem ende heeft te leen ontfangen een Goet geheiten herinck met sijn tobehoren gelegen Inder Graeffschap Zutphen Inden kerspel van hengel opt Goy tuschen den goederen Wissinck ende Elferdinck schietende opden Goyschen Enck an den furstendom Gelre en Graeffschap Zutphen te Zutphenschen rechten met een pond goets gelts te verhergewaden leenroerich Gelijck hem sulx deur afsterving sijnes broders wijlen Gerrit van Kervenhem is angeerft Ende heeft daervan hulde en den eedvan trouwen gedaen Dergelijcken hij ende syne erving Beheltlich zij allen Sonder argelist syn over dese angeweest als mannen van leen Alert herberts deurwerder den rekencamer end Steven van ercklens Bode des Hoffs van Gelderland Des t’oorcond Geschiet t’Arnhem op Saterdag den 11-en Novembris XVI-C XX (1620)

1640 Belening aan Anna van Kervenheim

Afb 3 (2 delen) Uitsneden uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, S, 1635-1641 (blz 369)

Transcriptie:
Ick Diederick van Bommel rs Erschenen is Vijt Christoffel van Münster ter Leemcuylen als volmachtich van Joffe Anna van Carvinheym luyt volmacht bij deselve … haeren gecozen momber Reyner Swaeffken tot Gruytering voor diederick van Kessel ende Voorst en Gerrit Johan vander Capellen inden dani als leenmannen deses Juffrouws en Graeffschap den 4 december 1640 gepasseert en sich in name van sijne … voorts te leen ontfangen dese leenen, voor het eerste een goet geheiten Slichthomminck off Slichtcamp met allen sijnen toebehooren bij den goede Ogelinck inden kerspel van Zelhem gelegen Voor het tweede leen een goet geheiten Herinck met sijnen toebehooren opt Goy tussen de goeden Wissinck ende Elferdinc schietende opten Goysen enck inde Graeffschap Zutphen inden kerspel van Hengel gelegen Voor het darde leen het goet geheiten dringenborgh gut ooc gelegen inde Graeffschap van Zutphen Richterampt Hengel namentlic huys Boomgart en Hoff noch tussen seven en acht mol(de)r geseys noch twee groote weyden by een liggende waar too noch by … eene weyde een cleyn bossken is gelegen dat dair toebehoort noch een cleyne weyde tegens over het bouwhuys alle drye ande furstendoms Gelre ende Graeffschap Zutphen ter Zutphensen rechten elck besonder met ene pont goet gelts to (ver)heergewaden leenruyrich in voegen synne principailinnen … deselve drys leenen aangestorvens syn door doode haerer brooders Bernt van Carvinheym en heeft sy selven daarvan huld(e) en eedt van trouwen gedaen en gelooft dergelicken en beheltelic Sonder argelist hier syn over en aen geweest als mannen van leen Abraham Tulleken ende Johan dibbets Schepen der stadt aernhem des t’oorconds Geschiet tot Arnhem des XVII (17) Februari 1641

1647 Belening aan Wyse van Kervenheim

Afb 4 (2 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, T, 1642-1649 (blz 298/299)

Transcriptie:
Ick diederic van Bemmel Erschenen is Vijl Christoffel van Münster to der Leemcuylen volmachtich van Joffer Wyse van kervenheym tot meyerinck luyt volmacht by deselve gepasseert ende gegaen vermits haer momber in desen Hendric ubbinc der richter doctor den darden desen loopenden maents Mey ende heeft to leen ontfangen drye leenen voor dat eerste een goet geheiten Slichthemmingh off Slichtcamp met alle sijnne toebehoer(en) by den goede Ogelinck inden kerspel van Selm gelegen Voort tweede leen een goet geheiten Heringh met sijnnen toebehooren opt Goy tussen die goederen Wissinc ende Elsferdinck schietende opten Goysen enck inde Graeffschap van Zutphen kerspel van Hengel gelegen Voort darde leen het goet Dringenborch gut ooc gelegen inde Graeffschap Zutphen Richterampt Hengel namentlic huys boomgart ende Hoff noch tussen soeven en acht mol(de)r geseys noch twee groete weyden by is liggende waertoe noch by de weyde een cleyn bosshen gelegen dat dairtoe behoort noch eene cleyne weyde tegens over het bouwhuys alle drie onder furstendom Gelre en Graeffschap Zutphen toe Zuthpensen rechten elx besonder met een pont goet gelts te (ver)geheerwaden leenrurich in voegen sijnne principaillinne deselve drie leenen angecommen sijn door doode van haer suster Joffe Anna van Karvenheym ende heeft sij volm(achtig) dairvan huld(e) en eet van trouwen gedaen en gelooft is dergelicken is beheltelic is sonder argelist hier sijn over en aengeweest als mannen van leen Alte engelen substitut Griffier t’huus van Gelderland en peter Christianis des t’oerconde Geschiet tot Zutphen den XIX (19) Mey 1647

1653 Belening aan Maria Louisa Seboris Vrydach

Afb 5 (3 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, T, 1650-1659 (blz 151/152)

Transcriptie:
Ick Joost Nijgh heer tot Isendoorn Erschenen is Filip Frederick Rauwer to Reyneck als volm(achtige)r van sijn huijsvrouwe Maria Louisa Seboris Vrijdach luijt volmacht voor wijlt Christoffer van Münster tot der Leemcuijlen en Wilhem Egginck leenmannen des F:G: & G:Z: (Lees: Furstendoms Gelre en Graeffschap Zutphen) en den huiss Keppel den tweelfden octob(e)r 1653 gepasseert en heeft ten behoeve van sijn voorn(ame) vrouw te leen ontfangen dreie leenen, voordat eerste een Goet geheiten Slichthemmingh off Slichtcamp mitt allen sijnen toebehoren bij den Goede Ogelinck ind(e) Kerspel van Selm gelegen Voort tweede leen Goedt geheijten Heringh mit sijnen toebehoren opt Goij tussen de goedt Wissingh en Elfferdinck schietende op des Goeijschen Encgt inde Graeffschap Zutphen kerspel hengel gelegen, voor het darde leen het goedt drijngenberch g.dat oock gelegen inde Graeffschap Zutphen Richterampt Hengell namentlick huijs boomgart en hoff noch tussen seven en acht molder geseijs, noch twee grote(n) weijde(n) bij een liggende waer toe noch bij de weijde een cleijn bosken is gelegen dat daer toe gehoort noch een cleijne weijde gelegen tegen over het bou(w)huijs alle drije leenen F:G: iTn G:Z: (Lees: Furstendoms Gelre inde Graeffschap Zutphen) ten Zutphensen rechten elcx besonder mit een pont goet gelts te verheergewaden leenruerich in voegen voorn(ame) Maria Louisa Sebila Vrijdach sijn aengecomen door doode van haer Moij(er) Joffr(ouw) Wisse van Kervenheijm en heeft sij volm(achtig) dairvan huld(e) en eedt van trouwen gedaen en gelooft dergelicken en heeft mede verclaert haer voorn(ame) mom(ber) Filip Frederick Rauwer sijn leven lanck getuchticht en eene tucht bekent te hebben aende voorn(ame) drij leenen mij u(u)t cracht vande voorn(ame) volmacht versoeckende(n) dat ick soedane(n) Tucht believe en bestedigen wilde Twelck billick versoeck aengemerckt soo dat ick de selve tucht beleefft geapprobeert en bestedight hebbe believe approbere(n) en bestedighe(n) mits dese beheltelick sonder argelist hier sijn over en aengeweest als mann(en) van leen Otto Dibbets Leengriffier en Wilhem Jacobsen des t’oerconde Geschiet t’Arnhem des 18-en Novemb(er) 1653

1669 Belening aan Anna Sybilla Vrijdach

Afb 6 (2 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, X, 1660-1669 (blz 162/163)

Transcriptie:
Ick Johan van Wijnbergen Erschenen is herman van Boshoff als volm(achtige)r van Vrouwe Anna Sybilla Vrijdach Weduwe Keppel tot Meyerinck vermogens volmacht door de selve geassisteert met Jan Egginck haeren gecozen en toegelaten Momber voor Johan Planten Richter tot hengelo en Joachim van Laar en Willem Wonninck respective leenmannen des huijses Keppel en v(er)saick oock mede als coornoten den 9 october 1669 gepasseert en heeft in die voorn(ame) qualiteijt te leen ontfangen drie leenen: Voor het eerste een goet geheijten Slichtkeminck of Slichtcamp met allen sijnen toebehooren bij den goede Ogelinck in den kerspel van Selm gelegen: Voor het tweede leen het goet geheijten herinck met sijn toebehooren op het Goy tusschen de goeden Wissinck en Elfferdinck schietende op den Goeyschen enck in de Graeffschap Zutphen kerspel hengel gelegen: Voor het derde leen het goet Dringenberch genoemt oock gelegen in den Graeffschap Zutphen kerspel hengel naementlijck huijs, boomgaert en hoff noch tusschen seven off acht molder gesaeijs met noch twe(e) grote weijden bij een liggende waer toe noch bij de weijde een kleijn bosken is gelegen dat daer toe gehoort noch een kleijne weijde gelegen tegenover het bouhuijs alle drie aen den V.G. en Gr Z: (Lees: Vorstendom Gelre en Graeffschap Zutphen) ten sutphenschen rechten elcks besonder met een pont goet gelts te verheergewaden leenroerich in voegen de selve drie Leenen des Compar(anten) Vrouwe Principalin door doode haeres Susters Maria Louisa Vrijdach getrouwt aen felix frederick Rauber tot Reineck aengestorven sijn en heeft sij in naeme sijnes Principalinnen daervan huldt en eedt van trouwen gedaen en beloofts dergelijcken Vrouwe Anna Sybilla Vrijdach v(er)scheltelijcks sonder argh off list hier sijn over en aen geweest als Mannen van Leen Johan op ten Noort Burgemeester van Arnhem en Willem Janssen dies t’oircondes Geschiet t’Arnhem den 18 November 1669

1683 Belening aan Johan Everhardt vander Heijden en zijn vrouw
Anna Johanna van Sweten

Afb 25 (2 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, Y, 1677-1683 (blz 403/404)

Transcriptie:
Ick Arnoldt Coerman der beiden Rechten to Raedt des Vorstendoms Gelre ende graeffschap Zutphen ende verstredends de plaats vande Stadtholder der Leenen Erschenen is Adriaen Wisscher als volm(achtige)r van Vrouwe Anna Sibilla Vrijdagh weduwe Keppel tot Meyerincks geassisteerd met haer soon diederick van keppel Cornet als haer gecoozen Momber ende mede voor sich selfs ende de rato caverende voor sijn Broeder en Susters voor soo veel tot dese volgende acte berdegticht mochten sijn vermogens volmacht voor hendrick ketjen Richter tot Hummelo en Aelbert Aelberts ende Willem Wissinck respective leenmannen des huijses Keppel en Hummelinck ende mede als cornoten des gerichts van hummelo den 16. april 1683. gepasseert Ende heeft in de voorn(ame) qualiteijt in mijnen landen opgedragen en overgegeven drie Leenen, voor het eerste een goed geheiten Slichtkemminck off Slichtcamp met alle sijnen toebehoren bij den goede Ogelinck in den kerspel van Selm gelegen, voor het tweede Leen een goet geheiten herinck met sijn toebehooren op het Goy tusschen den goede(ren) Wissinck en Elfferdinck schietende op den Goyschen enck inder graeffschap Zutphen kerspel hengel gelegen, Voor het darde Leen het goet Drijngenbergh genoemt oock gelegen inde(n) graeffschap Zutphen kerspel hengel namentlijck Huijs Bomgart en Hoff noch tussen seven off acht molder geseijs met noch twee groote weijden bij een liggende, waer toe noch bij de weijde een kleijn Bosken is gelegen dat daer toe gehoort, noch een kleijne weijde gelegen tegen over het bouwhuijs alle drie aenden vorstendom Gelre ende graeffschap Zutphen ten Zutphenschen Rechten elck besonder met een pont goet gelts te verheergewaeden leenroerich en heeft den volm(achtige)r daerop met den handt ende mont vertegen soo dat de naebeschreven mannen van Leen voorrecht wijsden, dat Vrouwe Anna Sybilla Vrijdagh Weduwe Keppel tot Meyerincks ende diederick van Keppel ende haere Erven vande voorn(oemde) drie Leenen gans en all ontleent ende onterfft zijn, en dat Ick als vertredende de plaats van de Stadtholder der Leenen dair mede mijnen vrijen wille doen mochte(n) waer nae Ick op des volm(achten)s vlijtich versaeck deselve drie Leenen voorts weder opgedraegen ende overgegeve(n) hebbe aen Johan Everardt vander Heijden en Anna Johanna van Sweten echteluijden ende heeft Johan Everardt vander Heijden voor hem selfs en als hulder van sijn Gelieffste Anna Johanna van Sweten daervan hult en eedt van trouwen gedaen ende belooft de Staten (en) Dergelijcke(n) Beheltelijck Sonder argh off list hier sijn aen ende over geweest als Mannen van Leen Johan opten Noorth Burgem(eeste)r tot Arnhem ende Johan van Someren Dies t’ oirconde Geschiet t’Arnhem den 23. April 1683.