Op deze pagina worden alle gevonden beleningen van de boerderij Heerink weergegeven over de periode 1700 – 1800.
Naast een beeld van het originele document is het tevens de bedoeling om een transcriptie weer te geven van wat er staat.
1712 Belening aan Gerhardt Wilhem Joseph van der Heijden
Het bijzondere aan onderstaande belening is dat deze tot stand is gekomen door een zogeheten Maegescheyt. Dit is bij eerdere beleningen (van de boerderij Heerink) nog niet voorgekomen. De reden dat het hier is voorgekomen is dat de lenen die de vader en moeder in hun bezit hadden werden verdeeld onder hun 3 erfgenamen.
Een Maegescheyt: Is samengesteld uit 2 woorden Maege: betekend familielid / bloedverwand en Scheyt (tegenwoordig scheit of scheiding): betekend deling of verdeling van goederen. (Bron: www.encyclo.nl)
Tegenwoordig kennen we de term Maegescheyt als: testament.




Afb 1 (4 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, CC, 1705-1713 (blz 460/461)
Transcriptie:
Ik Hendrik van Essen Eerste Raad ende Stadtholder der Leenen Erschenen is Gerhardt Wilhem Joseph vander Heijden end(e) heeft g(e)toont Een Extract uijt het Maegescheijt tussen hem end(e) sijne Broeders en Suster den 8-en Maert 1712 binnen Doetinchem opgerigt welck Extract hier nae van woord tot woord geregistreert is, waer bij den comp(aran)t sijn toegdeelt twee leenen 1e Het goet geheijten Herink met sijn toebehooren op het Goy tusschen den goeden Wissink ende Elferdink schietende op den Goysen enk, 2e het goet Drijngenbergh gen(aam)t naementlijk huijs, hoff, Boomgaert, nog tussen seven of agt molder gesaeijs met nog twee groote weijden bij eenleggende, waer van tot nog toe bij de weijden een kleijn bosken is gelegen dat daer toe gehoort nog een kleijne weijde gelegen tegen op het bouwhuijs beijde in de graefschap zutphen karspel Hengel gelegen aen den furstendoms Gelre end(e) graefschap zutphen ten zutphensen regten ijder bijsonder met een pont goed gelts te (ver)heergewaden leenroerig (ver)soekende dat ik het voorn(oemde) maegescheijt ten aensien van de twee voorn(oemde) leenen approberen confirmeren en bestedigen wilde tot welck versoek genegen wesenden heb ik het selve geapprobeert geconfirmeert end(e) bestedigt approberen confirmere ende bestedige het selve kragt deses soo veel de twee voorenstaende leenen aengaet waer nae den comp(aran)t het selve ten leen ontfangen heeft, gelijk hem die als erffgenaem sijnen ouderen Johan Everhardt vander Heijden en vrouwe Anna Johanna van Sweten in leeven egtel(uijden) en uijt cragt van het get(oonde) maegescheijt aen gecoomen sijn, ook daervan hult en eed van trouwe(n) gedaen ende belooft de staeten (en) dergelijken (en) beheltelijk (en) sonder argh off list hier sijn over en aengeweest als mannen van leen Johan Verbeek ende Jelis vande Wal dies te oirconde en: geschiet tot arnhem den 22e November 1712 Volgt t Extract uijt het maegescheijt
copia
Op heden dato onderges(chreven) is tussen ons onderbenoemd Erffgenaemen van Jaer Johan Everhardt vander Heijden ende Vrouwe Anna Johanna vander Heijden, gebooren van Zweten in haer leeven Eheluijden ende Heer en Vrouw tot Meijners wijl(en), Baek, Meijerink (en) over den selve naelaetenschap naedat de meubilen alvoorens inder minne onder condivident en gedeijlt waeren, een vrentlich onverbreekelijk, eeuwig durende magescheijt gemaekt dergestalt
dat didrik Assheer Anthoon vander Heijden etc
cluasula concernens,
Aan Richardis Maria Wendelina van Wintgens, gebooren vander Heijden toegevallen
paucis interjectir
Het goedt Slichtkamp in Zelm P
post quodam alia
Aan Gerhardt Wilhem Joseph vander Heijden toegevallen P
paucis interjectis
Het goet Dringhenborg, het goet Herink alle onder Hengelo gelegen
post quodam alia
Waermee wij onderges(chreven): dese onse erffdeijlinge approberen
paucis interjectis
Alles onder (ver)bant van onss persoonen Erffgenaemen en goederen submitterende deselve onder de judicature van allen Heeren Hooven Rigteren en gerigten en wel specialijk den Weled(ele) Hoove van Gelderland sonder arg off list in waerheijts oirconds is dese bij ons vast en onverbreekelijck onderteekent en met onse pitschaften becragtigt actum binnen Doetingem a(nn)o 1712 den 8e meert stijlo no: en was getekent
L.S. d:A.A. vander Heijden L.S. J.B. Wintgens
L.S. R.M.W. van Witgens/geboren vander Heijden L.S. G.A.F. vander Heijden
L.S. G.W.J. vander Heijden L.S. A.A.C. vander Heijden
L.S. Johan Fr Haek qq Herman Creuel ut testis
onderstont
nae voorgaande collatie is dess copie per clausulos concernentes met het principale maegescheijt onderteekent ende met seven pitsieren in swarte lacken gecorroboreert bevonden te accorderen door mij onderschreven landschrijver der Banner heerlijkheit van Bahr en Latum desen 22e November 1712 Get(ekent) JDreux
1753 Belening aan Johannes Everhardus Canisius van der Heijden


Afb 2 (2 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, MM, 1752-1753 (blz 175/176)
Transcriptie:
Ik, Johan Vijgh tot de Snor en Appelenburg Eerste Raad ende Stadthouder der Leenen des Furstendoms Gelre en Graaffschap Zutphen dae Cond, dast voor mij en mannen van Leen hier nije benoemt erschenen is Johannes Everhardus Canisius van der Heijden ende heeft te Leen ontfangen twee Leenen. .1º Het goed geheiten Herink met sijn toebehoren op het goij tussen de goede Wissink ende Elferdink schietende op den goijsen Enk. 2º het goed Drijngenberg genaemt namentlijk Huijs, Hoff, Boomgaard, nog tussen seven off agt molder gesaeijs, met nog twee groote weijden aen een leggende, waer van tot nogh toe bij de weijde een kleijn bosken is gelegen, dat daer toe gehoort nog een kleijne weijde gelegen tegen over het bouwhuijs beijde in de Graaffschap Zutphen kerspel Hengel gelegen aan den furstendom Gelre Graaffschap Zutphen ten Zutphense Regten Ieder bijsonder met een pond goed gelds te Verheergewaeden Leenroerig, gelijk de geseijd Leenen op den Comparant door dode sijns vaders Gerhard Willem Joseph van der Heijden gedevolveerd ende verstorven sijn ook daar van heeft hij handtastinge gedaan ende beloofft de staten des furstendoms Gelre en Graaffschap Zutphen trouw holt en gehoorsaam te sijn en alles te doen hetgeen een goed en getrouw Leenman Sijnen Leenheer gedaen schuldig is. Dergelijken Johannes Everhardus Canisius Van der Heijden en Sijnen Erven soo dikwijls de Voornoemde Leenen erledigt worden en de nood sulx vereijkhen sal ook doen sullen Beheltelijk in allen meergemelte Furstendom en Graaffschap Sants een ijder sijn goeden regten. Sonder arg off list hier sijn over en aan geweest als mannen van Leen Willem Jan Tulleken, Leengriffier in Gelderland en Zeger Verbeek dies t’oirconde so heb ik des Furstendoms Gelre en Graaffschap Zutphens Segel hier aan doen hangen Geschied tot Arnhem den 1º Augusti 1753
1789 Belening aan Joost Hendrik Anton van der Heijden (tot
Luyenhorst en Oud Zhell)
Het bijzondere aan onderstaande belening is dat het de laatste belening is die ten uitvoer is gebracht. Een kleine 10 jaar later komen de Fransen naar Nederland en zullen het gehele feodale systeem afschaffen. Daarmee komt een eind aan ongeveer 1000 jaar belenen in Nederland.



Afb 29 (3 delen) Uitsnede uit het boek “Leenboek van Gelre en Zutphen”, NNN, 1788-1789 (blz 170/171)
Transcriptie:
Ick, Jan Hendrik van Hasselt J.H. Dr (Lees: JonkHeer der) Ordinaris Raad in Gelderland, vertredene de plaats van den Stadthouder der Leenen des Furstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen doe kond, dat voor mij en mannen van Leen hierna benoemt is Wilhelmus Josephus Theodorus van der Heijden, tot Rijssenburg, in qualiteit als volmagtiger van desselfs vader Johan Everhard van der Heijden tot Baak, vermogens volmagt door denselven voor Harmen Teunissen ten Brink en Jan Marling, Leenmannen des Graafschaps Bronkhorst en van den Huijse Baak bij gebrek van competente Leenmannen den 31. Aug(ustus).1789. op den comparant gepasseert ende heeft gp in mijnen handen opgedragen en overgegeven twee Leenen 1º. het goed geheiten Herinkmet sijn toebehoor op het goy tusschen de goeden Wissink en Elferdink schietende op den Goyschen Enck 2º. het goed Drijngenberg genaamt, namentlijk huys, hoff, boomgaerd nog tuschen seven off agt molder gesaay, met nog twee grote weyden bij een leggende, waarvan tot nog toe by de weyden een klyn bosken is gelegen, dat daartoe gehoort, nog een klyne weyde gelegen tegen over het bouwhuys beyde in de Graafschap Zutphen kerspel Hengelo gelegen aan de Furstendom Gelre & Graafschap Zutphen ten Zutphensen Regten ieder bijsonder met een pond goed gelds te verheergewaden leenroerig ook daarop met hand en mond vertegen, Zodat de nabenoemde mannen van Leen voor regt wijsden dat J.E. van der Heijden tot Baak bovengenoemt ende sijnen Erven daarvan gantsch en al ontleent en onterft waren en dat ik als des Stadthouders plaatse vertredene, mijne vrije Wille daarmede doen mogte; waarna ik op comparants vlijtig verzoek en na inhoud van gemelde procuratie de geseide twee Leenen weder opgedragen en overgegeven hebbe aan Joost Hendrik Anthon van der Heijden tot Luynhorst en Oud Zhell die daar weder mede beleent zijnde door den comparant als de Helfs Volmagtiger, luyd volmagt voor deselve Leenmannen ten selve dagen gepasseert, ook daarvan huld by handtastinge gedaan, ende belooft heeft de Staten des Furstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen trouw, hold en gehoorsaam te zijn, en alles te doen ’t geen een goed en getrouw Leenman sijnen Leenheer te doen schuldig is, dergelijken J.H.A. van der Heijden en sijne Erven zo dikwils de voornoemde Leenen erledigt worden en de nood zulks vereischen zal ook doen zullen beheltelijk in allen meergem…. Furstendom en Graafschap lampt een ijder sijns goeden regten zonder arg of list. Hier zijn over en aan geweest als mannen van Leen M(eeste)r Rutger Tulleken Leengriffier in Gelderland en Jan Lutz Dies t’oirconde zo hebbe ik des Furstendoms Gelre & Graafschaps Zutphen Zegel hier aan doen hangen. Geschied tot Arnhem Den 2. September 1789
